Zes jaar geleden begon ik iets bij mezelf op te merken wat me verdrietig maakte: ik genoot niet langer van activiteiten die me eerder een rustig, vredig en gelukkig gevoel gaven.
Wanneer deze verandering precies in gang werd gezet kan ik me niet precies herinneren. Het bekroop me langzaam, in de loop van een aantal maanden, misschien wel jaren. Ik weet echter nog wanneer het me voor het eerst opviel.
Op een zaterdagmiddag had ik mijn dochter van vier jaar meegenomen naar een prachtig strand. Het is te vinden op het westelijkste puntje aan de baai van San Francisco en biedt een geweldig uitzicht over de woeste kustlijn aan de Stille Oceaan.
Groene, met gras bedekte kliffen storten zich dertig meter lager in zee. Golven met witte schuimkoppen slaan neer op het zwartgrijze zand. Als je geluk hebt, kun je grijze zeehonden zien die met hun glanzende, ronde kop op en neer dobberen in het water terwijl ze in de branding naar vis duiken.
Dat strand is echt magisch. Die zaterdagmiddag stroomde die magie door mijn dochter Rosy’s lijf. Ze neuriede zeer tevreden voor zich uit terwijl ze een wankel zandkasteel met een kleine slotgracht eromheen probeerde te bouwen. Het moment voelde fijn en kalm aan. Het was ideaal.
Vanbinnen voelde ik me echter totaal tegenovergesteld. Ik was geïrriteerd en zelfs ontstemd. Ik kon niet stoppen met denken aan mijn werk: de e-mails, berichtjes en mijn socialmedia-accounts. Ik haalde mijn telefoon uit mijn zak, checkte elke app, de een na de ander. Een paar minuten later haalde ik mijn telefoon weer tevoorschijn en maakte hetzelfde rondje opnieuw.
Ik deed zo mijn best om te genieten van ‘het moment’, zoals mijn moeder altijd zei. Ik glimlachte naar Rosy. Ik lachte met haar en wees haar op de strandlopers die zigzaggend langs de rand van de branding liepen. Daarna sloot ik mijn ogen zodat ik het breken van de golven op het strand beter kon horen en de warmte van de zon op mijn gezicht kon voelen.
Maar vanbinnen hoorde ik dit lage, voortdurende gezoem van angst dat zich in mijn achterhoofd roerde. Het leek alsof ik me voortdurend afvroeg: wat nu? Wat nu? Wat nu?
Vanaf dat moment begon dit zenuwachtige gezoem me op te vallen als ik niet aan het werk was. Ik voelde het als ons gezin tijdens de brunch op zondagochtend wafels met aardbeien at.
Ik voelde het als ik op zondagmiddag over het natte gras van het Golden Gate Park liep terwijl Rosy voor me uit rende. Ik voelde het ook na het werk, wanneer ik op de vloer in de woonkamer zat en Rosy in haar kleurboek met Disney-prinsessen kleurde. Elke keer als ik eventjes niets te doen had, kon ik er niet gewoon van genieten. Op de een of andere manier had ik altijd een reden om mijn telefoon te checken of op internet te kijken. Als ik mijn telefoon niet bij me had, kon ik niet wachten om terug naar huis te gaan om te checken of ik nieuwe berichten had.
Op momenten waarop ik me eerst ontspannen had gevoeld, voelde ik me nu rusteloos en chagrijnig. Soms viel ik zelfs uit tegen mijn dochter of man.
Dit gezoem op de achtergrond was dan wel zachtjes, maar ik wist dat het mijn manier van opvoeden beïnvloedde. Als ik met Rosy was en we onze dagelijkse dingen deden vond ik het moeilijk om slechts in het moment te zijn. Als we bijvoorbeeld een fietstochtje van tien minuten naar het park maakten, checkte ik mijn telefoon elke keer als we stilstonden voor een verkeerslicht. ’s Avonds kon ik niet wachten tot Rosy in slaap viel zodat ik mijn tv-programma’s kon kijken. Soms was ik zelfs kortaf tegen haar omdat ze niet snel genoeg in slaap viel. Ga alsjeblieft, alsjeblíéft slapen, Rosy. Mama moet Succession kijken.