New York
‘Hij gaat je echt niet ontslaan.’
‘Misschien wel.’
‘Echt niet, Sam. Je bent zo’n beetje zijn protegé. En je bent ook nog eens een van de, wat zijn het, drie heteromannen in de uitgeverij? Dat willen ze wel zo houden.’
‘Heel grappig.’
Ik zet de telefoon aan mijn andere oor en pak de beker koffie van de nu al doodvermoeide barista aan. Het is nog geen acht uur ’s ochtends en de maandagochtendspits is in volle gang. Achter me staat een groep financiële medewerkers in een onberispelijk wit overhemd met open kraag hun mails te lezen terwijl ze op hun bestelling wachten. Ik val tussen hen nog niet eens zoveel op. Oké, mijn overhemd is zeker niet zo schoon en wit als dat van hen, maar ik heb vanochtend wel moeite gedaan. Alsof mijn baas, als hij ziet dat ik niet zoals altijd een zwarte spijkerbroek heb aangetrokken met de eerste de beste trui die ik kon vinden, zou eggen: kijk, zo’n soort man heb ik nu nodig in mijn team. Of op z’n minst: deze man bezit een strijkijzer.
Het kan in elk geval geen kwaad.
‘Bovendien heeft hij gevraagd of je vroeg wilde beginnen, vervolgt Lizzie alsof ze mijn gedachten kan lezen. ‘Als hij je wilde ontslaan, dan zou hij gevraagd hebben of je na het werk nog even kon blijven.’
‘Hoe kom je daar nou bij?’
‘Nou, zo zou ik dat doen.’
‘Maar je hebt helemaal geen werk.’
‘Pardon?’ zegt mijn zus geïrriteerd. ‘Denk jij nou echt dat de opvoeding van drie jongens onder de vijf jaar geen werk is?’
‘Op kantóór, bedoel ik,’ corrigeer ik mezelf en ik wurm me met de laptop tegen mijn borst gedrukt langs de rij. ‘Het soort werk dus dat ik straks ook niet meer heb.’
‘Doe niet zo zielig. Je mag pas zelfmedelijden hebben wanneer je straks op straat staat.’
‘Wanneer ik straks…’
‘Als,’ zegt ze snel. ‘Als dat onverhoopt gebeurt.’
‘Iemand oppeppen is niet je sterkste kant.’
‘Dat weet ik.’
Ik loop naar buiten en door het verkeer is ze moeilijker te verstaan. Ik zet het volume van de telefoon wat hoger.
‘Wil je Oliver nog gedag zeggen voordat we de verbinding verbreken?’ vraagt Lizzie.
‘Hij is pas drie maanden.’
‘Precies. Hij is zich aan het ontwikkelen. En dus moet hij de stem van zijn oom leren kennen.’
‘Weet je wat? Wanneer ik geen werk meer heb, zal ik een hele dag met hem doorbrengen. Een hele week zelfs.’
‘Het komt goed.’ Ze zegt het zo meelevend, dat ik er geen woord van geloof. ‘En zou het eigenlijk wel zo erg zijn?’
‘Zou het feit dat ik mijn baan kwijtraak nu wel zo erg zijn?’
‘Nou ja, je hebt heel hard gewerkt en…’
‘Ik hou van mijn werk, Liz!’
‘Oké. Sorry. Bel me als je meer weet. En doe alsjeblieft niets stoms.
‘Ik beloof niks,’ zeg ik.
We verbreken de verbinding en ik lees opnieuw het korte mailtje dat ik al honderd keer heb gelezen sinds ik het gisteravond kreeg.
Kom morgen bij me langs.