Een langzaam smeulend vuur: het creatieve proces

Net als mijn twee vorige boeken is Een langzaam smeulend vuur uit een personage voortgekomen. En net als bij mijn twee vorige boeken was het ontwikkelen van dat personage en het zoeken van het juiste verhaal voor dat personage niet echt een simpel proces.


Door Paula Hawkins

Herfst 2017

In de herfst van 2017, na mijn promotietour voor In het water, begon ik aan een nieuwe roman. In maart van het jaar daarop had ik de eerste dertigduizend woorden al zo’n drie keer herschreven en ik was er nog steeds niet tevreden over, dus liet ik het hele project vallen. Omdat ik niet echt wist wat ik nu moest doen, begon ik aan een kort verhaal rond de toevallige ontmoeting tussen een jonge vrouw, die in een crisis zit, en een oudere vrouw, die onlangs haar man heeft verloren. Dat korte verhaal werd ook al niets, maar bij het schrijven had ik wel twee geweldige personages ontdekt: de jonge vrouw Laura die vreselijke tegenslagen te verduren heeft gehad en worstelt met een chaotisch bestaan, en Irene, een eenzame oude vrouw. De vriendschap die uit hun toevallige ontmoeting voortkwam, werd uiteindelijk de kern waar Een langzaam smeulend vuur om draaide.

Toen ik deze personages had gevonden, wist ik nog niet echt in wat voor soort verhaal ze zouden passen. Wat ik wel wist, was dat Laura, ongeacht het verhaal dat ik hierna ging vertellen, de centrale figuur moest worden. Net als Rachel in Het meisje in de trein, een personage dat ik die paar jaar dat ze buiten welke roman dan ook bestond, alleen als Het dronken meisje kende, maar van wie ik wel wist dat ik haar als personage nader wilde onderzoeken: het soort personage waarvan ik me voorstelde dat het lezers zou aanspreken, iemand die ze wilden volgen en die ze het beste toewensten.

Rond Laura bouwde ik een netwerkje van andere personages die in mijn ogen stuk voor stuk het idee ondermijnen dat er zoiets bestaat als ‘goede’ en ‘slechte’ mensen. Ze hebben allemaal op de een of andere manier geleden en met tragedies en verlies moeten leren omgaan. Sommige personages hebben wat ze verloren hebben, in hun levensverhaal verweven en hun pijn is zozeer deel van hen geworden dat ze hem nog nauwelijks lijken op te merken. Een van de centrale thema’s die bij het ontwikkelen van het verhaal naar voren kwam, is dat de dingen die wij met ons meedragen (en dat kan tragedie en verlies, maar ook trots of schuldgevoel en zelfs liefde zijn) ons kunnen verwonden.

Ik ontdekte dat mijn personages me alle kanten mee op konden nemen, wat vanuit het standpunt van een schrijver bezien heel spannend maar ook nogal overweldigend is. Ik moest uitpuzzelen hoever elk van deze personages zou gaan als de kans zich voordeed. Zouden Miriam*, Laura of Carla bereid zijn door roeien en ruiten te gaan om iets wat hun ooit is aangedaan recht te zetten? Vanuit dat startpunt begon ik de plot op te bouwen, waarbij ik mijn personages opzettelijk met elkaar liet botsen op manieren die zowel kwetsend als genezend waren: een gewoonte die voor mij als romanschrijver een thema én een strategie is geworden.

* De nieuwsgierige buurvrouw die het lichaam van het slachtoffer heeft gevonden.

Locaties

De locaties in deze roman zijn ontleend aan plekken in de buurt van mijn huis in Londen. Begin 2018, toen ik eraan begon, besteedde ik ’s ochtends heel wat tijd aan wandelingen langs Regent’s Canal om naar mensen en boten te kijken. Geen idee of ik hier uniek in ben, maar als ik wandel, betrap ik mezelf er vaak op dat ik uitkijk naar goede plekken om je van een lijk te ontdoen, en het viel me op dat de meeste woonboten op het kanaal weliswaar prachtig en duidelijk liefdevol onderhouden waren, maar dat een enkeling verlaten leek, en soms zelfs half onder water lag, en het kwam in me op dat je heel goed een lijk in een van die boten kon leggen en dat het er dan misschien wel dagen of zelfs wekenlang onontdekt zou blijven liggen.

In het boek gaat het natuurlijk heel anders, maar het plan was van meet af aan dat er in elk geval een lijk in een boot zou zijn. En het leek me juist om de rest van de actie te laten gebeuren op de straten en pleinen rond het kanaal, in een deel van Londen met een gevarieerde, kleurrijke geschiedenis.

Ten zuiden van het kanaal ligt Clerkenwell, de buurt waar Irene en Laura (en ik) wonen. Het is de oudste woon- en zakenwijk van Londen en bood ooit onderdak aan diverse religieuze instellingen, zoals de Knights Hospitallers of St John of Jerusalem en het nonnenklooster St Mary’s, maar later kreeg de buurt een aanzienlijk slechtere naam als toevluchtsoord voor dieven en een plek waar lichte vrouwen rondhingen. In de negentiende eeuw was het de Londense wijk met het hoogste aantal moorden.

Tegenwoordig is Clerkenwell vreselijk veryupt, met straten vol designwinkels en een paar van de beste restaurants van Londen, al is het nog steeds een heel gemengde wijk, een van de vele buurten in Londen waar de rijken zij aan zij wonen met de armen, en geprivilegieerden en maatschappelijk minder geslaagden dagelijks elkaars pad kruisen. Er is een enorme kloof in onze samenleving, een kloof die voortdurend groter wordt: je kunt je zonder moeite voorstellen hoe onverdraaglijk dat moet zijn voor mensen die in moeilijke omstandigheden verkeren en het gevoel hebben dat ze niets aan hun lot kunnen veranderen, mensen als Miriam en Laura.

Wat ook heel duidelijk is, is de ongerijmde eenzaamheid van veel mensen die in dit overbevolkte deel van het centrum van Londen wonen. Een keer op de terugweg van de bioscoop zagen mijn partner en ik een bejaarde vrouw op Hayward’s Place voor haar open voordeur staan. Met een ongeruste uitdrukking op haar gezicht keek ze op en neer de straat af, alsof ze op iemand stond te wachten. Toen wij dichterbij kwamen, vroeg ze mijn partner of hij even kon binnenkomen om een lamp voor haar te vervangen, en dat deed hij. Ze bedankte hem en wij liepen verder, maar ik was diep getroffen door de eenzaamheid van dat moment, dat iemand geduldig op straat moest staan wachten tot er iemand voorbijkwam die hem of haar kon helpen.

De pandemie

Tegen de tijd dat de pandemie toesloeg, had ik de roman al zeker één keer herschreven. Gelukkig had ik inmiddels eindelijk de juiste manier gevonden om het verhaal te vertellen, de meeste problemen had ik opgelost, ik wist waar de verrassende wendingen moesten komen, en nu hoefde ik het boek alleen nog te schrijven. Het ingaan van de lockdown was dus misschien geen regelrechte zegen, maar evenmin een vloek. Net als iedereen was ik ongerust en bang, en ik maakte me vooral zorgen om mijn familie die duizenden kilometer verderop woont en die ik onmogelijk kon opzoeken (dat kan nog steeds niet). Maar gedwongen om thuis te blijven als ik was, zonder te mogen reizen en mensen te ontvangen, en zonder kinderen om thuis les te geven, zat er weinig anders voor me op dan te schrijven. Schrijven, wandelen, hardlopen, lezen, tv-kijken, nog wat schrijven, en lezen.

Lezen

Sommige schrijvers blijven uit de buurt van fictie als ze aan het schrijven zijn, maar ik niet. Misschien dat ik liever vermijd om iets te lezen wat naar mijn gevoel gelijkenissen vertoont met mijn eigen werk in wording, en misdaadverhalen vermijd ik uit angst dat ik beïnvloed word door de intriges van anderen, maar ik kan het lezen echt niet laten. Het is een inspiratie voor me en helpt me er voortdurend aan herinneren waarom ik dit wil doen. Het is onmisbaar voor me om het werk te lezen van schrijvers van wie ik houd, vooral als het schrijfproces zwaar of ontmoedigend wordt.

Met dat in mijn achterhoofd heb ik een lijst opgesteld van een paar van de boeken die ik heb gelezen (of herlezen) terwijl ik Een langzaam smeulend vuur aan het schrijven was. Sommige van deze titels komen ook in de roman voor.

  • All My Puny Sorrows en Women Talking van Miriam Toews
  • Sunburn van Laura Lippman
  • How it All Began van Penelope Lively
  • Disoriental van Negar Djavadi
  • Everything Here Is Beautiful van Mira T. Lee
  • The Haunting of Hill House van Shirley Jackson
  • Ghost Wall van Sarah Moss
  • A Judgement in Stone van Ruth Rendell
  • Long Bright River van Liz Moore
  • The Bad Seed van William March
  • The Language of Birds van Jill Dawson
  • Blow Your House Down van Pat Barker
  • Big Sky van Kate Atkinson
  • The Postman Always Rings Twice van James M. Cain
  • The Diver’s Clothes Lie Empty van Vendela Vida
  • Convenience Store Woman van Sayaka Murata
  • In the Cut van Susanna Moore
  • The Weekend van Charlotte Wood
  • The Bass Rock van Evie Wyld
  • Actress van Anne Enright

Ideeën en invloeden

Ik mag dan veel lezen als ik aan het schrijven ben, ik snap wel waarom andere schrijvers dat niet doen: je maakt je zorgen dat je misschien zonder het in de gaten te hebben een idee, een stem of een plotwending uit een ander boek overneemt. Wanneer ik aan het schrijven ben, wil ik beïnvloed worden door het werk van Penelope Lively en Anne Enright, ik wil worden geïnspireerd door hun woorden en hun geweldige intelligentie, ik wil dat zij mijn geest op hol brengen waardoor ik op mijn allercreatiefst ben als ik ga zitten schrijven.

Wat een schrijver kan en mag overnemen om er kunst van te maken is een van de kernvragen in Een langzaam smeulend vuur. Ik ontleen voortdurend van alles aan mijn leven en het leven van mensen om me heen: wat Laura als kind overkomt is een (aanzienlijk bewerkte versie) van iets wat een vriendin van een vriendin van een vriendin is overkomen; wat Miriam meemaakt is gebaseerd op een stuk in de krant van jaren geleden.

Waarom hebben we wel het recht om dingen aan het leven en niet om ze aan de kunst te ontlenen? Is dat wel zo? Zijn daar grenzen aan? Op die vraag heb ik een gedeeltelijk antwoord, dat ik heel toepasselijk van een andere schrijver heb gepikt. Onlangs schreef Nicole Krauss in een essay dat personages ‘bij ons op de kust aanspoelen als lijken, Joost mag weten waarvandaan en waarom, en met het verstrijken van de jaren proberen we ze leven in te blazen’. Of dat nu in de vorm is van het opnieuw tot leven wekken of van een transformatie, de schrijver moet iets nieuws scheppen.

Het einde van het verhaal

En als we dan iets nieuws hebben geschapen, moeten we een passend einde voor die schepping bedenken. Mijn ervaring is dat het begin van een boek het makkelijkste, fijnste deel is om te schrijven, gevolgd door een lastig middelste deel en dan dat onmogelijke einde: een afronding van het verhaal bedenken die waarachtig maar niet te deprimerend is; om het mysterie op te lossen op een manier die zowel verrassend als bevredigend en toch geloofwaardig is. Er spelen ook andere overwegingen mee: krijgen de personages wat ze verdienen? Moet dat eigenlijk? En vooral: krijgen de lezers wat ze verdienen?

Wat een schrijver aan de lezers verplicht is, is nog zo’n vraag die te heikel is om in een paar honderd (of duizend) woorden te beantwoorden, maar er zijn wat tamelijk fundamentele regels waarover we het wel eens kunnen zijn. Stel, je koopt een boek dat wordt aanbevolen als een romantische komedie, dan mag je redelijkerwijs verwachten dat de hoofdpersonen niet aan het eind van het boek sterven. Soms mogen schrijvers zo’n regel overtreden (ik heb het over jou, David Nicholls), maar als ze dat doen, moeten ze er wel een goede reden voor aandragen, ze moeten kunnen aantonen dat de roman veel rijker en bevredigender wordt dankzij die overtreding.

Zo mogen lezers bij een misdaadroman op zijn minst verwachten dat ze erachter komen wie het heeft gedaan. Ze mogen verwachten dat het mysterie wordt opgelost. En ik zou willen aanvoeren dat ze mogen verwachten dat ze voldoende aanwijzingen krijgen om, als ze heel goed hebben opgelet, zelf het mysterie al te hebben kunnen oplossen.

Maar wat voor romantische komedies opgaat, geldt ook voor misdaadromans. Er zijn uitzonderingen (en nu heb ik het over jou, Tana French). En ik mag dan vinden dat het belangrijkste mysterie moet worden opgelost, dat betekent nog niet dat echt elke vraag moet worden beantwoord. In feite laat ik liever ruimte voor twijfel, voor ambiguïteit, ruimte die lezers kunnen invullen met hun eigen voorstellingen. We kunnen onmogelijk de oplossing van elk mysterie kennen, sommige misdaden blijven nu eenmaal onopgelost, sommige misdadigers blijven ongestraft.

Zo is het leven.

Gerelateerde artikelen