Als er een tornado in die woonkamer had geraasd, zou die minder schade hebben aangericht. Dat dacht Lucia Castangia bij het zien van het slagveld waarin het appartement was veranderd. Ze keek om zich heen, wit weggetrokken als een soldaat die op wonderbaarlijke wijze was ontsnapt aan een vijandelijke hinderlaag.
Ze staarde onthutst naar de vloer, die bezaaid was met chips en popcorn, alsof het patroonhulzen waren, stukken taart die waren uitgesmeerd op tafel en op de meubels, speeltjes die meedogenloos tot moes waren vertrapt, spetters van priklimonade die als bloed op de muren waren gespat, leeggelopen ballonnetjes die daar nog zieltogend lagen, cadeauverpakkingen die woest waren opengerukt om te kijken wat erin zat en de talloze lijken van taartjes, koekjes en sandwiches die overal en nergens opgestapeld lagen. Ze maakte een lijstje van onschuldige burgerslachtoffers: kapotte vazen, fotolijstjes die aan diggelen lagen en gemartelde planten. Een bloedbad.
Ze plofte uitgeput en verdwaasd op de bank neer.
‘Ik wil dood,’ fluisterde ze uiteindelijk tegen het lege huis, na afloop van een feestje van vierenhalf uur met een leger van duivelse kinderen. Hoewel het vuurpeloton het kamp al ruim een halfuur geleden had verlaten, gonsde de echo van de barbaarse kreten en lachsalvo’s nog steeds in haar oren. Ze had alle ramen opengezet om de stank van adrenaline en zweet te verdrijven die de kleine schreeuwlelijken hadden verspreid vanaf het eerste moment dat ze de deur door waren gekomen, tot de tanden gewapend met cadeautjes en strijdlust. Hun ouders waren er als deserteurs vandoor gegaan en hadden haar aan haar lot overgelaten met de vijandelijke troepen; ze waren bijna vijf uur later stilletjes teruggekomen om de indringers op te halen en waren ’m vervolgens weer gesmeerd zonder enige schadeloosstelling vanwege de oorlogsmisdaden.
‘Lafaards,’ mompelde Lucia, hen inwendig vervloekend.
Het idee om de toestand van de wc te inspecteren joeg haar doodsangst aan. Ze overwoog iets sterks in te schenken om zich moed in te drinken: whisky of rum, als die kleine ettertjes tenminste niet ook de drankenkast hadden geplunderd.
De deur ging open en haar man Nicola kwam binnenstrompelen. Hij had zojuist alweer de vierde vuilniszak naar beneden gebracht in dat vervloekte appartementengebouw waar de lift het niet deed. Ze woonden op de zesde verdieping. Zijn quadricepsen trilden van inspanning. Ze wisselden een meewarige blik, als twee partizanen die de dood in de ogen hadden gekeken. De man plofte naast zijn vrouw neer.
Uit hun blikken sprak duidelijk de posttraumatische stressstoornis die ze hadden opgelopen.
‘Zullen we alles anders maar zo laten liggen en het morgen opruimen?’ opperde Nicola, die net als alle mannen laks was als het op de grote schoonmaak aankwam.
‘Vergeet het maar,’ oordeelde ze keihard en ze liet haar blik over de apocalyps glijden waarin ze onwillekeurig waren beland.
‘Morgen is het alleen maar erger… Ik had niet naar je moeten luisteren. Als we een zaaltje hadden afgehuurd, hadden we ons deze ellende kunnen besparen.’
Nicola had een zenuwtic bij zijn rechteroog. Zoals altijd had zijn vrouw gelijk.
‘Haal even adem en kom weer op krachten,’ vervolgde Lucia en ze gaf hem een kneepje in zijn hand. ‘Over vijf minuten beginnen we met schoonmaken.’
Nicola overwoog even een muiterij: hij had kunnen voorwenden dat de sigaretten op waren – een eerste levensbehoefte in zo’n situatie – en dat hij dringend nieuwe moest halen, maar zijn geweten speelde op en hij liet het idee varen. ‘Waar is Attila?’ vroeg hij.