Het was een lenteochtend op het schiereiland Pirriwee, ten noorden van Sydney, en er stond een zacht briesje. Langs de kronkelende kustweg stonden knalgele inheemse acacia’s. Jacaranda’s bloeiden weelderig paars tegen een wolkeloze blauwe lucht. Pasgeboren vogeltjes zaten schattig te piepen in hun nestjes. Een beschermende ekster, alert op mogelijke roofdieren, dook als een raket neer op het gehelmde hoofd van een argeloze fietser.
De ochtenddrukte was nog in volle gang bij het geliefde strandcafé Blue Blues, maar op het strand zelf was het rustig.
Er rende een klein hondje over het vlakke, stevige zand, gevolgd door zijn schuldbewuste baasje dat de riem in zijn hand hield. De surfomstandigheden waren ‘clean, met regelmatige pieken’. De voornaamste deining kwam uit het oosten.
Een handjevol surfers, allemaal met grijs haar, zat schrijlings op hun dobberende planken. Ze hielden hun handen boven hun ogen om te kijken naar een groep dolfijnen die aan de horizon sprongen en doken, als een notenbalk. Net voorbij de punt, onzichtbaar voor de surfers, voer een walvis met haar onstuimige eerstgeboren kalf door de kustwateren van de ‘Humpback Highway’.
In het park aan het strand van Pirriwee zat een kring van kersverse moeders in kleermakerszit op picknickdekens, met piepkleine baby’s in hun armen. Ze klaagden over slaapschema’s, terwijl vlakbij wat senioren onzichtbare regenbogen in de lucht tekenden tijdens hun tai-chiles, glimlachend naar de baby’s en terugdenkend aan hun eigen kinderen.
Toen: een plotselinge, dissonante flits van lawaai en beweging.
Voetstappen die dreunden als renpaarden in galop.
De kersverse moeders drukten hun baby’s stevig tegen zich aan terwijl een roedel tieners door het park rende.
Of nou ja, een roedel. Het waren geen wólven en ze waren maar met z’n zessen: drie meisjes en drie jongens. Het leken er alleen veel meer. Hun benen waren zo lang. Hun emoties leken zo overdreven. Ze stormden de betonnen trap af, het strand op, waar ze op het zand neervielen, gillend alsof ze een veilige plek hadden bereikt of een onzichtbare finishlijn waren gepasseerd. Ze hadden niets bij zich, op één jongen na, die een laptop tegen zijn borst geklemd hield. Een van hen barstte in tranen uit, of in lachen, dat was moeilijk te zeggen. Het zou goed kunnen dat ze dronken waren.
De middelbare school waar deze leerlingen op zaten en waar ze op dat moment eigenlijk hadden moeten zijn, lag op tien minuten lopen heuvelopwaarts vanaf het strand. Leerlingen stroomden luidruchtig de klaslokalen uit, als concertbezoekers die een zaal uit willen. Ze zorgden voor een opstopping in de gangen en trappenhuizen. Het was ‘techvrije dinsdag’, dus iedereen deed heel stiekem met zijn telefoon en laptop.
Mevrouw Lottie Wang, secretarieel medewerker van Pirriwee High en assistent van de schooldirecteur, zat achter de receptiebalie de post te sorteren.
Ze opende een grote gele envelop waarop met een zwarte stift het adres van die schooldirecteur, dr. Ferdinand Seawright, geschreven stond. Ze kon hem horen in het aangrenzende kantoor, luid in zichzelf pratend terwijl hij op zijn computer zat te typen. Blijkbaar viel die niet in de categorie ‘tech’.
Dit was dr. Seawrights eerste jaar op de school en Lottie moest nog wennen aan zijn gewoonte om hardop te praten als hij aan het typen was, alsof hij de woorden aan zichzelf dicteerde.
‘Nogmaals… mijn geduld… begint op te raken,’ zei hij.
Anders het mijne wel, dacht ze.
‘Ouders dienen… zich ervan bewust te zijn… dat dit gedrag niet wordt getolereerd… dat dit gedrag verboden is onder de gedragscode van Pirriwee High School,’ zei hij.
Lottie zuchtte.