De dag dat de walvis kwam en het coronavirus

De dag van de walvis = John Ironmonger

John Ironmonger over zijn boek De dag dat de walvis kwam


De gebeurtenissen van de afgelopen weken, en dan doel ik op ontwikkelingen rondom het coronavirus, herinnerden me weer aan mijn roman De dag dat de walvis kwam.

Voor als je het nog niet gelezen hebt: De dag dat de walvis kwam is een enigszins allegorisch verhaal over de ineenstorting van de beschaving na een wereldwijde grieppandemie. Als dat een beetje te heftig voor je klinkt, helpt het wellicht dat het verhaal bijna volledig wordt verteld vanuit het perspectief van een kleine vissersgemeenschap in Cornwall.

Op deze pagina

Sociaal vangnet

Het voelde voor mij heel vertrouwd om over het fictieve stadje St Piran te schrijven. Ik was zeventien toen mijn familie samen met mij uit Nairobi verhuisde en in Mevagissey, een dorp aan de kust van Cornwall, een nieuw leven begon als winkeliers. Mijn moeder was daar opgegroeid en verlangde ernaar terug te gaan. Mijn ouders kochten een winkel op het plein, vlak bij de haven, en ik werkte daar tijdens de schoolvakanties. Ik hielp met het vullen van de schappen, het snijden van spek en het bezorgen van boodschappen in het dorp. Een van mijn vaste adresjes was dat van de schrijver Colin Wilson, die een eindje buiten de stad woonde in een oude, vervallen boerderij. Hij bezat een echt schrijvershuis; het stond vol met boeken. ‘Ik zou graag schrijver willen worden,’ zei ik een keer tegen hem, nadat ik een doos boodschappen naar zijn keuken had gebracht. ‘Nou,’ zei hij, ‘als je schrijver wilt worden, dan zúl je dat ook worden. Er zit niets anders op.’

In eerste instantie dacht ik dat ik Mevagissey zou haten. Mijn vrienden woonden ver weg, en dit kleine stadje was, vooral in de winter, ellendig stil en afgelegen. Maar net als Joe, de hoofdpersoon uit De dag dat de walvis kwam, ontdekte ik dat het stadje een buitengewone gemeenschap had. In een paar weken kende ik de namen en gezichten van talloze inwoners, had ik nieuwe vrienden gemaakt en begon ik te begrijpen hoe iedere bewoner deel uitmaakte van een sociaal vangnet waardoor die gemeenschap zich kenmerkte. Het was onverwacht. Het was blijdschap.

De gedachte achter De dag dat de walvis kwam

Ik wilde hier al heel lang over schrijven, maar ik had nog een verhaal nodig. In een trein van Londen naar Liverpool las ik in een tijdschrift een wetenschappelijk artikel van Debora Mackenzie. De titel van het artikel luidde: ‘Kan een pandemie de westerse beschaving neerhalen?’ Het idee was doodgewoon, maar toch angstaanjagend. De theorie hierachter suggereert namelijk dat een samenleving zorgwekkend kwetsbaar wordt, wanneer deze zich boven een bepaald niveau ontwikkelt. Eenmaal op dat punt kan zelfs een kleine verstoring alles ineen laten storten. Zoals een grieppandemie dus. En daar had ik mijn verhaal.

Ik raakte gefascineerd door mysterieuze zaken als toeleveringsketens. De wijze waarop onze beschaving functioneert – alles wat nodig is om eten op tafel te krijgen – is labyrintisch geworden vanwege de complexiteit ervan, met hightech landbouwmachines, gekoelde magazijnen, gespecialiseerde distributienetwerken en steeds ingewikkeldere manieren van verpakken. Onze beschaving vertrouwt op de beschikbaarheid van brandstof en reserveonderdelen voor alle machines, op de gezondheid en betrouwbaarheid van chauffeurs en inpakkers en op tientallen andere systemen, zoals de elektronische uitwisseling van valuta, goede wegen-, spoor- en overige transportnetwerken…

En dan te bedenken dat elk van deze systemen gemakkelijk zou kunnen uitvallen! Het feit dat het allemaal zo ongelooflijk goed werkt, betekent automatisch dat we niet zien hoe riskant deze processen eigenlijk zijn. En toch zijn ze dat. Een kleine verstoring kan het hele mechanisme van onze beschaving tot stilstand brengen.

Deze gedachte staat ook centraal in De dag dat de walvis kwam. Een grieppandemie, afkomstig uit het Verre Oosten, wordt door passagiers op een langeafstandsvlucht onbewust naar Groot-Brittannië gebracht en daarna neemt de publieke angst het over. De olie-import stopt. Werknemers blijven thuis. Krachtcentrales komen tot stilstand. De winkels worden overvallen en de schappen worden leeggemaakt. Ik had een citaat in mijn hoofd: ‘Civilisation is only three square meals away from anarchy.’ Dit citaat, afkomstig uit de tv-serie Red Dwarf, werd de drijfveer achter mijn verhaal.

De voorspelling voor de mensheid

En nu hebben we te maken met het coronavirus, een uit China overgewaaide vergelijkbare grieppandemie. Zou het kunnen leiden tot dezelfde situatie als in het stadje St Piran uit mijn boek?

Ik denk dat het antwoord op die vraag inderdaad ‘ja’ moet zijn. Maar er is een sprankje hoop. In De dag dat de walvis kwam is de voorspelling voor de mensheid grimmig. Maar de mensheid (in het algemeen) en de bewoners van St Piran (in het bijzonder) blijken zich niets aan te trekken van de experts en zijn veerkrachtig. Ze doen dit door samen te komen en dingen te delen, en, vooral, door aardig tegen elkaar te zijn. Ze ontkrachten alle bestaande veronderstellingen over apocalyptische taferelen, waarin we gehurkt met jachtgeweren in de hand om het laatste stukje brood vechten. Het griepvirus vernietigt ons niet, maar brengt ons juist dichter bij elkaar. Misschien kan dat ons hoop geven.

Hoewel de dorpelingen van St Piran natuurlijk wel de hulp van een walvis hebben. Laten we dat niet vergeten.

Meer artikelen