Op zoek naar Stieg Larsson
Door Christopher MacLehose, december 2007
Stieg Larsson overleed in 2004, op de dag van Kristalnacht. Hij werd vijftig jaar. Hij had al het mogelijke gedaan om de opkomst van het neofascisme in zijn geboorteland Zweden aan de kaak te stellen, te documenteren en terug te dringen. Samen met een kleine groep politiek activisten werkte hij dag en nacht – en soms met gevaar voor eigen leven – aan Expo, het tijdschrift dat ze waren begonnen. Het werk en het tijdschrift leven voort. Tijdens de herdenkingsdienst die voor hem werd gehouden, werd voor veel van zijn vrienden pas duidelijk wat hij allemaal had bereikt, hoe uitgebreid zijn vriendenkring was, hoe veel hij had gereisd, welke impact deze bescheiden, stille man op het Europese politieke en sociale klimaat had gehad. Het tijdschrift, dat naar aanleiding van zijn overlijden veel honende en beledigende post ontving, wijdde geen speciaal nummer aan zijn leven en werk. Het voortbestaan van het blad was en is zijn verpletterend grote nalatenschap. Een ongelooflijk intelligent politiek strateeg was heengegaan; een jonger en zeker zo toegewijd team nam de plaats van zijn mentor in de frontlinie over.
Larsson vergaarde medestanders in alle lagen van de samenleving. Hij zocht contact met Mona Sahlin, nu leider van de Zweedse sociaaldemocraten, ten tijde dat ze door de media werd afgemaakt. Ze werden vrienden. Hij belde haar doodleuk op om zijn hulp aan te bieden en hij werd voor haar wat zij ‘een leerboek van vlees en bloed … mijn universiteit’ noemde. Haar zorgen – huisvesting, immigranten, xenofobie, sociale klassen, eerwraak, gender – waren ook zijn zorgen.
Hij zocht Kurdo Baksi op, de radicale Koerdische leider in Stockholm, toen Baksi een staking met alle immigranten die in de stad werkten organiseerde. ‘De koning en de koningin waren niet erg blij met mijn plan een dag lang te gaan staken,’ zegt hij. ‘Dus heb ik als compromis maar een uur gestaakt.’ Larsson en Baksi hebben tien jaar samengewerkt en hebben een tijdlang hun tijdschriften onder één vlag uitgegeven.
Bijna alle bekende Zweedse verhalenvertellers, zoals Mikael Nieme, Per Olov Enquist, Henning Mankell en Torgny Lindgren, zijn afkomstig uit het noorden. Stieg Larsson is geboren en getogen in Umeå, zo’n 650 kilometer ten noorden van Stockholm. De traditie van het verhalen vertellen is nog steeds belangrijk in deze geïsoleerde gemeenschappen. (NB: op internet staat te lezen dat rijden in Norrland gevaarlijk is, vooral ’s winters. Botsingen met elanden vormen een aanzienlijk risico.)
Als kind al kon Stieg Larsson het schrijven niet laten. Een geïllustreerd verslag dat hij als jongetje schreef over de door hem geobserveerde sterrenhemel signeerde hij met ‘Dante Larsson’. Hij zat zo op zijn typemachine te hameren dat hij een kamer in het souterrain van hun flatgebouw kreeg, en toen de buren bleven klagen, moest hij verhuizen naar een kamer in een heel ander gebouw.
Toen hij van de middelbare school kwam ging hij in dienst. Zijn gevechtstraining kwam hem van pas toen hij in Afrika rondreisde. Hij maakte de burgeroorlog in Eritrea mee, waar hij, naar verluid, vrouwelijke soldaten leerde hoe ze handgranaten moesten gebruiken. Ergens in Afrika liep hij malaria op, wat hij, toen hij terug was in Zweden en op het postkantoor ging werken, als excuus gebruikte om zich ziek te melden om thuis te kunnen lezen. Hij redigeerde een trotskistisch tijdschrift en volgde de Vietnam-oorlog met grote betrokkenheid. Als twintiger ontwierp en stencilde hij dertig sciencefictionblaadjes. Naast zijn bezigheden als kunstenaar en fotograaf werkte hij twintig jaar als grafisch ontwerper bij het TT persbureau in Stockholm. Hij was bevriend met Maurice Bishop, de verbannen premier van Grenada. Dertig jaar lang was hij de Scandinavische correspondent van het Britse antifascistische blad Searchlight. Voor Scotland Yard gaf hij een lezing over de neofascistische netwerken in Europa en de manier waarop zij internet gebruikten. Hij was een verwoed lezer van, vooral Engelstalige, misdaadromans, waarover hij zoveel recensies schreef – die bekendstonden als ‘massagraven’ – dat zijn beheersing van het genre geen verrassing was voor zijn vrienden, die zijn romans, soms hoofdstuk na hoofdstuk, thuisgestuurd kregen. Zijn boeken hebben de belangrijkste prijzen in het genre binnengesleept, en van de paperbackuitgave van deel één van de Millennium-reeks werden in Zweden meer exemplaren verkocht dan van welk boek ooit.
Maar Stieg Larsson zal voornamelijk worden herinnerd als een man met een bijzonder morele overtuiging. Hij stelde zijn hele leven in dienst van de strijd tegen raciale en godsdienstige intolerantie. Hij voorzag, misschien als een van de eersten, de pan-Europese dimensie van dat probleem. Hij wist alles van de Oostenrijkse, Duitse, Nederlandse, Russische, Franse en Britse rechts-radicale bewegingen en van de manier waarop ze werkten en met elkaar communiceerden. Samen met Anna-Lena Lodenius schreef hij boeken over eerwraak, over extreemrechts in Zweden, en met Mikael Ekman schreef hij over de zogeheten Zweedse democratische partij (waar niets democratisch aan is en die niet verward mag worden met de sociaaldemocraten).
Het is een feit dat de Zweedse politie in de jaren na de oorlog meer werk maakte van het natrekken van de sporen van links-extremisten dan dat ze de opkomst van rechts-radicalen in de gaten hield. Extreemrechts, nu vermomd in pak en das, bloeide op in de jaren tachtig en werd in de jaren negentig extreem gevaarlijk. Eind jaren negentig werden vier immigranten vermoord; twee politiemensen werden gedood tijdens een bankoverval; een journalist en zijn zoontje werden bijna het slachtoffer van een autobom, en een vakbondsleider werd doodgeschoten nadat hij een collega als neonazist had ontmaskerd.
In de periode dat ze nauw samenwerkten, en soms zelfs artikelen in elkaars naam schreven, waren Larsson en Baksi zich terdege bewust van de risico’s die ze liepen. ‘Ik kreeg een keer een kogel door mijn raam,’ aldus Baksi. Ze werden allebei bedreigd en Larsson zag zich lange tijd gedwongen veiligheidsmaatregelen te nemen en zijn dagelijkse routines te veranderen, ook voor zijn partner. Hun foto’s en adressen werden op internet gezet. Een anarchist, die ook het mikpunt was van extreemrechts, werd voor de ogen van een surveillanceteam van de politie vermoord. Vrienden van Larsson zeggen dat hij nooit bang is geweest, maar de spanning in die tijd, vooral aan het eind van de jaren negentig, moet zwaar zijn geweest. Op het hoogtepunt vond zelfs een terreuractie plaats, waarbij de ramen van de drukkerij van Expo werden ingegooid en de werknemers werden bedreigd. Op verzoek van Baksi schaarden de vier grootste dagbladen van Zweden zich achter Larssons Expo en Baksi’s Svartvitt (Zwart-wit) en publiceerden hun artikelen met foto’s en namen van de 61 mannen en de ene vrouw die tot extreemrechtse organisaties zouden behoren.
Larsson werkte maar door. Overdag voor het persbureau, ’s nachts voor Expo, tot hij vrijwillig afvloeide bij TT. Hij stopte zo veel mogelijk geld in Expo, waaraan hij met meer energie werkte dan ooit tevoren. ’s Nachts wijdde hij zich aan het schrijven van misdaadromans, een ander deel van zijn nalatenschap aan Zweden en de wereld van de literatuur. John Henri Holmberg, een uitgever, zegt dat hij zich Larsson herinnert als een man die geen detail van een gesprek vergat en dat dit talent, samen met zijn volharding, de hoeksteen was van zijn briljante werk voor Expo: het langzaam uitbouwen van zaken, zijn vermogen de vijand te slim af te zijn, om met feiten en argumenten iedereen de baas te zijn. Tijdens discussies verloor hij nooit zijn geduld en in interviews was hij immer onverstoorbaar: glimlachend, met een olijke twinkeling in zijn ogen. Alleen als hij op scholen of voor vakbonden sprak, trad de bevlogen, charismatische en absoluut gezaghebbende Larsson naar voren. Met zijn collega’s reageerde hij op talloze hulp- en adviesverzoeken afkomstig van scholen waar de sfeer werd verpest door neonazi’s. Speciaal voor deze scholen ontwikkelde hij samen met zijn oude bondgenoot Jonas Sundberg, zeer succesvolle projecten om de slachtoffers van de pesterijen te helpen en hun een hart onder de riem te steken. Het diepgravende onderzoek van het Expo-team leidde in tien jaar tijd tot een archief aan materiaal – dossiers, boeken, tijdschriften, dvd’s, White Power-muziek, foto’s en geluidsopnamen van voordrachten - waarin vrijwel alle extreemrechtse activiteiten in Zweden, van zowel personen als bedrijven, werd gedocumenteerd. Dit magistrale werk was het resultaat van jaren, waarin vooral internet nauwgezet werd nageplozen. Organisaties die iets nodig hadden voor onderzoek mochten altijd gebruikmaken van de verzamelde informatie. Larsson zelf was dag en nacht, soms vier uur achtereen, online. Hij bezocht blogs, chatrooms en homepages, en beantwoordde alle brieven en vragen die hij kreeg; voeten op het bureau, kop koffie in de hand, met naast zich zijn dagelijkse rantsoen van ongeveer drie pakjes sigaretten.
Hij werkte gestaag door. Begin december werd in Salem, ten zuiden van Stockholm, door neonazi’s en rechts-radicale groepen de traditionele mars georganiseerd naar de plaats waar in 2000 een jonge man door anarchisten werd vermoord. Dit jaar is links hen voor: zevenhonderd Zweden, Denen en Duitsers demonstreren en speechen drie uur lang, tot de demonstranten halverwege de middag vanwege de massaal uitgerukte politiemacht afdruipen – hoewel enkelen die op geweld uit zijn de bossen in vluchten. Dan marcheren er, ernstig gehinderd door het politiekordon, negenhonderd neonazi’s van het station naar de plaats van bijeenkomst, waar ze hun debiele speeches houden – alle opgenomen door Expo, die de honderden aanwezigen observeert en onverwachte deelnemers noteert. Dit alles duurt tien natte, koude uren, waarbij relschoppers door de politie in de kraag worden gevat en onder applaus van dik ingepakte kinderen langs de weg in zwaarbewaakte busjes worden afgevoerd. Een nieuw item voor het archief, dat vanwege zijn onschatbare waarde momenteel een paar jaar geleden door de Zweedse Koninklijke Bibliotheek werd gekopieerd en gearchiveerd.
Op 9 november 2004 zou Larsson zoals elk jaar samen met Kurdo Baksi een bijeenkomst houden om de Kristalnacht te herdenken. Tegen zijn gewoonte in belde hij Baksi een dag ervoor op om te melden dat hij van neonazistische websites had begrepen dat er een flinke opkomst van neonazi’s gepland stond. Hij vroeg zich af of ze misschien de politie moesten waarschuwen, maar Baksi dacht dat dat niet nodig zou zijn. De volgende ochtend belde Baksi Larsson, om een tijd af te spreken waarop ze elkaar zouden ontmoeten. Hij kreeg te horen dat Larsson onwel was geworden en naar het ziekenhuis was. Baksi deed de herdenkingsbijeenkomst alleen. ‘Er waren zestig neonazi’s en veertig normale mensen. Geen probleem.’ Daarna ging hij naar het ziekenhuis, maar het was al te laat: Stieg was dood. ‘In zijn nette pak, met een glimlach op zijn gezicht, maar dan zonder sigaret,’ aldus Baksi. ‘Hij was het brein achter het verzet tegen de rechts-radicale beweging in Zweden. Hij had alles in de hand, behalve zijn dood.’

